Er is zorg over de toekomst van Kleine Kernen. In Europa, in Nederland, in Zuid-Holland én in de gemeente Alphen aan den Rijn. Steeds vaker moet ergens de laatste dorpswinkel sluiten, steeds vaker sluit de artsenpraktijk zijn deuren, verdwijnt de bibliotheek, de vrijwillige brandweer en de politieman.
Misschien dat het wat simpel is om te stellen dat een goed functionerend winkelapparaat de grootste welzijnsvoorziening voor de directe omgeving is, maar die stelling gaat voor onze kleine kernen wel op. Want daar lijkt Geert Mak’s boek ‘Hoe God verdween in Jorwerd’ opnieuw werkelijkheid te worden. Een horrorscenario voor iedereen die gedacht hadden rustig hun oude dag in de vertrouwde omgeving te slijten. Een scenario dat voor bijvoorbeeld Aarlanderveen al werkelijkheid wordt, maar dat ook dreigt voor wat grotere plaatsen als Zwammerdam en Noorden.
Door al die aandacht voor de Kleine Kernen wordt wel eens vergeten dat, een dorpssupermarkt daargelaten, ook voor dorpen als Koudekerk, Hazerswoude-Dorp, Hazerswoude-Rijndijk, Benthuizen, Hoogmade, Woubrugge, Rijnsaterwoude, Langeraar, Nieuwkoop, Nieuwveen of Leimuiden landelijk of regionaal geen enkele winkelformule beschikbaar is. Winkelketens richten zich op kernen met 10.000 inwoners en meer, zodat ook de dorpen die we gewoonlijk NIET als kleine kernen zien, groeiend gevaar lopen hun bewinkeling te verliezen. Vooral omdat die bewinkeling vaak over het halve dorp verspreid is, en het rendement van de betrokken winkels gewoonlijk afhankelijk is van lage grondkosten door vererving. Kortom, zo gauw de huidige eigenaars ermee stoppen, is er nauwelijks toekomst meer voor nieuwe ondernemers. Als die ontwikkeling doorzet, kunnen we binnenkort de grens voor ‘Kleine Kern’ ophogen tot minstens 5.000 inwoners, en daarmee houdt de overheid, op geen enkel niveau, rekening. Het is dan ook geen wonder dat nieuwe plannen voor bijvoorbeeld Hazerswoude-Rijndijk en Leimuiden schipbreuk leiden.
Grotere dorpen als Bodegraven, Boskoop en Ter Aar hebben wel potentie voor landelijke winkelketens, kunnen daardoor hun winkelareaal up-to-date brengen en hebben dat vaak al gedaan.
Bestudering van de nota detailhandelsbeleid van de gemeente Alphen aan den Rijn levert al snel een mogelijke verklaring voor de hierboven geschetste ontwikkeling. Hoewel het zeker nodig is dit ook voor andere gemeentes te onderzoeken, is er weinig reden aan te nemen dat die nota’s een fundamenteel ander uitgangspunt hebben. Niet alleen lijken de samenhangen tussen de functie van winkelcentra van verschillend niveau (stadscentrum, wijkcentrum/dorpscentrum, buurtcentrum/dorpscentrum, dorpswinkel in kleine kern) onvoldoende uitgelicht, maar ook wordt geredeneerd vanuit het belangrijkste winkelcentrum van de gemeente, in deze regio het Stadshart van Alphen aan den Rijn.
Dat betekent zowel voor de winkelcentra van een lager verzorgingsniveau dat zij de brokjes krijgen van wat het Stadshart laat liggen, als dat de winkels in de kleinste kernen het uiteindelijk met de overgebleven kruimels moeten doen.
Het detailhandelsbeleid van gemeenten zou juist moeten uitgaan van het functioneren van winkelvoorzieningen in een kleine kern. De direct omwonenden zouden daar terecht moeten kunnen voor al hun dagelijkse behoeften zonder regelmatig gedwongen te worden naar een nabijgelegen grotere kern te gaan. Want eenmaal daar, ligt het voor de hand dat ter plekke ook andere, wel in de eigen kern beschikbare, producten worden gekocht. En als dat regelmatig gebeurt, wordt de dorpswinkel gewoon overgeslagen. Een patroon dat iedereen in een kleine kern wel bekend zal voorkomen. Maar het betekent wel dat die dorpswinkel te weinig omzet boekt om de eigenaar een redelijk inkomen te verschaffen. Als resultaat sluit de winkel haar deuren en heeft de kleine kern helemaal geen winkels meer, zoals dat, nog maar een paar jaar geleden, in Aarlanderveen het geval was.
Natuurlijk zou die dorpswinkelier een beter op de plaatselijke behoeften gericht assortiment kunnen voeren, want waarom zou een dorpswinkel er als een Albert Heijn moeten uitzien? De inwoners van die kleine kernen hebben meer aan een combinatie van een Troefmarkt, een Primera en een Blokker, en dat alles op het oppervlakte van een middelgrote supermarkt, 800 vierkante meter. Maar aan de andere kant zien we gemeenten rustig toestaan dat in grotere kernen supermarkten worden gebouwd die veel meer klanten nodig hebben dan de kern zelf beschikbaar heeft. Zodat deze supermarkten zich wel moeten richten op de kleinere kernen erom heen, en ze daarmee de rendabele exploitatie van zelfs de meest ideale dorpswinkel onmogelijk maken. Alleen omdat het gemeentelijke beleid op detailhandelsgebied uitgaat van de grotere kernen, terwijl het beleid op welzijnsgebied juist gericht is op de leefbaarheid van de kleinere kernen. Die spagaat maakt een eind aan de dorpswinkel, en uiteindelijk een eind aan de leefbaarheid in de kleine kern. Foutief gemeentelijk beleid, en niet de “Economische wetmatigheid” van ex-wethouder Wienbelt, lijkt de oorzaak van de problemen van de kleine kernen. De toekomst van onze Kleine Kernen lijkt afhankelijk van wat gemeenten in hun grotere kernen toestaan. Dat is natuurlijk een merkwaardige zaak!
De volgende weken ga ik in op de komende problematiek van de kleinere dorpen, en de invloed die grotere dorpscentra en nabijgelegen stadscentra hierop hebben. Uiteindelijk komen we op de stelling: Zou meer aandacht voor het verzorgingsniveau van de kleine kernen uiteindelijk de redding van het Alphense Stadshart kunnen betekenen?
Reinder Koornstra, geboren in 1947 in Friesland, woont sinds 1972 in Alphen aan den Rijn. Hij is retailplanoloog en bemoeit zich met de planning van winkelcentra. Hij schreef boeken en artikelen over CRM, Marketing Communicatie en New Media. Hij was al jong bedrijfsleider bij Vroom & Dreesmann, werd uiteindelijk divisiedirecteur bij een groot farmaceutische bedrijf en had een telemarketing bedrijf. Werkte daarna twintig jaar als docent en onderwijsontwikkelaar aan Avans Hogeschool in Den Bosch. Hij is getrouwd met Hiljonda, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen Hij was ooit lid van het bestuur van het buurtcentrum Ridderveld, redacteur van de buurtkrant, secretaris van De Alphense Watervrienden en bestuurslid van de Alphense Sportraad. Landelijk was hij actief als voorzitter van de Sales Management Association, in commissies van het Nederlands Instituut voor Marketing en als projectleider Nima opleidingen bij het ISBW. Ook was hij jaren bestuurslid van welzijnsorganisatie 'Lava Team' in Drunen. Hij was vijf jaar politiek actief voor LA / AS en heeft twee perioden in de gemeenteraad gezeten. Nu gaat hij zich weer richten op wetenschappelijk onderzoek en het adviseren van gemeenten, projectontwikkelaars en winkeliersorganisaties op het gebied van retailplanologie.
Reinder is sinds januari secretaris van de lokale omroep AlphenStadFM/TV en sinds februari ouderling in de gemeente Adventskerk. Hij is lid van het koor Min Ghesellen o.l.v. Simon Stelling in Nieuwkoop.
Daarnaast schrijft hij boeken en artikelen over zijn vakgebied
De tweede editie van zijn boek "Marketing voor Retailers" kwam in maart 2011 uit.
Kurt Jan Wiltenburg schreef,
08/12/2011 om 11:28
Beste Reinder,
Je schetst een somber beeld over de kleine(re) kernen. Ten dele terecht, maar er moeten ook kanttekeningen bij geplaatst worden!
Ten eerste is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen dagelijkse en niet-dagelijkse goederen. Voor de kleine(re) kernen liggen de kansen vooral op het gebied van de dagelijkse goederen. In mijn werk kom ik vaak bevlogen ondernemers tegen die letterlijk en figuurlijk de kern vormen van dat dagelijkse aanbod in die kleine kernen. Vaak zijn dat ook franchisenemers van grote landelijke ketens, die in het eigen dorp een voortrekkersrol vervullen. Neem de gemeente Rijnwoude. Onlangs is daar een visie voor het winkelaanbod in de verschillende kernen opgesteld door de diverse winkeliersverenigingen, ondersteund door het HBD en de KvK. Dit verhaal biedt concrete handvatten per kern en is inmiddels door de lokale politiek omarmd. In veel gevallen trekken de bovengenoemde ondernemers dit proces in de diverse kernen, zoals in Benthuizen, waar de lokale Plus-supermarkt brandpunt is van een nieuwe centrumontwikkeling. Andere ondernemers haken daar vaak op aan en kunnen gezamenlijk weer een aanbod creëren dat de tand des tijds weer aankan.
Beste Reinder, het zal de komende jaren door de econmische crisis, de ontgroening en de vergrijzing zeker niet makkeijk worden voor de kleine(re) kernen, maar als de daar aanwezige bevlogen ondernemers voor hun plannen een steun in de rug krijgen van de lokale overheid, dan heb ik toch wel vertrouwen in de toekomst.
Met vriendelijke groet,
Kurt Jan Wiltenburg,
Kamer van Koophandel
Reinder Koornstra schreef,
08/12/2011 om 12:08
Kurt-Jan,
In mijn visie (“Marketing voor Retailers, 2e editie”) is er in buurten en kleinere dorpen (<10.000 omwonenden) alleen maar ruimte voor aanbod in dagelijkse gebruiks- en verbruiksgoederen. Dat wordt ook bevestigd door een beperkte studie die ik met AD journalist René van Leusden hield onder de vele wijk- en buurtcentra van Zoetermeer.
Het door jou geschetste recept is al zo vaak gebruikt. Het zal best, hier en daar, tot succes leiden, maar levert geen oplossing voor het eigenlijke probleem, dat ik hierboven aangeef met de brokken en de kruimels. Dat de politiek daar achter staat, is logisch, want jullie lossen hun probleem op zonder het vigerende detailhandelsbeleid aan te tasten. Daarbij is ‘jullie’ oplossing veel te veel gebonden aan één of slechts een paar ondernemers. De gedachte is, en dat heb ik vaker gelezen en gehoord, dat ‘andere ondernemers’ wel zullen aanhaken, maar die doen dat hoogst zelden. Wat logischer is dat dergelijke initiatieven leiden tot vestiging van winkels van een omvang die de locale gemeenschap helemaal niet kan dragen. Nou, en dan levert zo’n ‘oplossing’ gewoon het volgende ‘probleem’ op.
Want wat gaan die Benthuizers doen als het nieuwe grote winkelcentrum in Zoetermeer-Oosterheem klaar is. Zelfs in het noodwinkelcentrum zit al een HEMA, een Blokker, een Hoogvliet én een ALDI. Echt, voor het daar vlakbij gelegen Benthuizen blijft dan slechts ruimte voor een beperkt buurtcentrum voor de LOCALE, dagelijkse vraag.
Het valt me juist op dat IEDER centrumplan alleen maar rekening houdt met de eigen functie en het onvermijdelijk is dat verschillende centra zich DEZELFDE klanten toerekenen. Dat is met Oosterheem en Benthuizen zeker ook het geval.
Maar ik heb binnenkort alle tijd om daar eens over te praten, inclusief de gevolgen die Bricks&Clicks; formules hierop hebben.